Frouwe Venema

1.     Levensloop van Frouwe Venema

In de negentiende eeuw maakte Wildervank een bloeiperiode door en Frouwe moet daarvan al iets gemerkt hebben. De veenkoloniale scheepvaart, maar ook de scheepvaart op de Oostzee, leverde handel op en daarmee ook allerlei aan de scheepvaart verwante bedrijven. Het was allesbehalve een achtergelegen, saaie regio.

Vader Venema was landbouwer en kon het zich veroorloven zijn dochter naar de Franse School (en kostschool) in het naburige Veendam te sturen. Het moet hem een paar honderd gulden in een jaar hebben gekost. De Franse School (na 1857 overgegaan in mulo) gaf Frouwe een goede opleiding, vooral praktisch gericht. Naast vaardigheden als schrijven en rekenen, kreeg ze les in een vreemde taal (Frans), muziek, aardrijkskunde en geschiedenis. Wellicht ook boekhouden en natuurwetenschappen. Ze kwam in aanraking met jongeren uit verschillende milieus.

Frouwe Venema en Hendrik de Cock

Al jong leerde ze Hendrik de Cock uit Veendam kennen: zijn broer Regnerus en haar zus Eetje trouwden met elkaar. Als Hendrik in Groningen studeert schrijven ze elkaar liefdesbrieven. In februari 1824 trouwen ze en betrekken ze samen de pastorie van Eppenhuizen, Hendriks eerste gemeente. Aan het eind van dat jaar wordt hun eerste zoon, Helenius, geboren. 

Voor het gezin breekt een tijd aan van verhuizingen, van geluk om de geboortes van kinderen, maar ook een tijd van ziekte en zorgen. Ze krijgen in totaal zeven kinderen, vier zonen en drie dochters. Hun oudste meisje, Jantje, overlijdt als ze drie jaar is. Hendrik is dan predikant in de gemeente Ulrum en de leidende figuur geworden van de strijd binnen de hervormde kerk. Ruim een week na het overlijden van Jantje ondertekenen velen, ook Frouwe, de Acte van Afscheiding of Wederkeering. Het is 14 oktober 1834.

Pastorieleven

Voor het gezin De Cock breekt een zware tijd aan. Hendrik krijgt drie maanden gevangenisstraf en wordt afgezet als predikant. Het gezin moet daarna een ander onderkomen zoeken en vindt dat in Smilde. Hendrik reist door het land, vooral in de noordelijke provincies, om nieuwe gemeenten te helpen stichten. In mei 1837 wordt hij predikant in Groningen en docent aan de daar pas opgerichte theologische School. Hij geeft de lessen aan huis, waardoor het pastorieleven een stuk drukker wordt. 

Het huishouden en de opvoeding van de kinderen komt voornamelijk op de schouders van Frouwe terecht. De drie jongste kinderen worden in de tijd na Ulrum geboren, een tweede Jantje en nog twee jongetjes. Het jongste kind, Regnerus Tjaarda overlijdt in 1841 als hij één jaar oud is aan de pokken. De ouders hebben niet meer de vrijmoedigheid van weleer om hun jongsten te laten vaccineren. Hendrik leeft met het motto: “Uw wil en niet de mijne geschiede.” In november 1842 bezwijkt Hendrik zelf aan de gevolgen van de pokken.

Tweemaal weduwe

Frouwe blijft als jonge weduwe achter, 39 jaar oud. In 1846 hertrouwt ze met een opvolger van Hendrik aan de Groningse Theologische School: dominee Harm Geerts Poelman. Een weduwnaar met twee jonge kinderen. De dood maakt opnieuw een eind aan het huwelijk: Poelman overlijdt in 1854 aan de cholera.

Een vrouw van middelbare leeftijd blijft achter. Haar oudste zoon is inmiddels getrouwd en dominee, maar de jongste kinderen hebben de zorg van hun moeder nog nodig. Frouwe blijft in Groningen wonen en heeft daar haar eigen bezigheden. Ze is een gerespecteerd lid van de kerk en heeft een warm hart voor diaconale zaken. In haar handel en wandel draagt ze uit dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. Als in 1862 een Gesticht voor Weduwen en Wezen wordt geopend, raakt Frouwe daarbij betrokken als voogdes. Dat werk blijft ze tot op hoge leeftijd doen, in 1879 neemt ze er afscheid. Ze volgt nauwgezet de ontwikkeling van de Afgescheiden kerken en de Theologische School in Kampen, ze toont zich verheugd en verwonderd over de groei van de Afgescheiden gemeenten.

Daarnaast volgt ze de opleving in de hervormde kerk onder Abraham Kuyper (Doleantie) en de vereniging van Afgescheidenen en Dolerenden, die samen in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland vormen, moet haar zegen gehad hebben. 

Ze blijft betrokken bij kinderen en kleinkinderen, schrijft ook aan hen brieven waarin ze haar visie duidelijk onder woorden brengt: ze waarschuwt tegen wereldgelijkvormigheid en legt de nadruk op het betrachten van de waarheid in liefde.  

In de vroege ochtend van 24 september 1889 overlijdt ze, een dag tevoren had ze met twee vriendinnen nog gesproken “over de wegen des Heeren”. In haar avondgebed had ze gevraagd of de Heere haar wilde bewaren voor een benauwde dood. En dat gebed is verhoord. Ze werd kalm en als in slaap door haar huishoudster gevonden. 

2.     De Afscheiding van 1834

Wie de rol van Frouwe en Hendrik de Cock in de beweging van de Afscheiding wil begrijpen heeft enige kennis van de 19e-eeuwse kerkelijke situatie nodig.  De Nederlandse Hervormde Kerk was weliswaar geen staatskerk, maar het centrale gezag was wel in handen van de overheid. Koning Willem I had dat aangescherpt met een ‘Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk’ (1816) met de koning als hoofd. De overheid streefde twee doelen na: het voorkomen van onenigheid over leerstellige kwesties en ruimte bieden aan velerlei godsdienstige opvattingen. De Dordtse Kerkorde van 1618/1619 werd niet meer erkend als basis van het geloof. En ook de handhaving van de gereformeerde belijdenisgeschriften paste hier niet meer bij. In de praktijk kwam het erop neer dat iedereen vanaf de preekstoel kon zeggen wat hem goed dacht. Daarbij kwam dat per dienst minimaal één gezang uit de bundel Evangelische Gezangen gezongen moest worden

Geloofsfundamenten

Hiertegen kwam protest uit orthodoxe hoek. Dit protest paste in een internationale theologische beweging waarbinnen men een weg zocht om terug te keren tot het ‘gereformeerde spoor der vaderen’, tot de kern van de Reformatie. Eén van de doelen was terug te keren tot – wat zij noemden – ‘de waarachtige dienst des Heeren’. Die vond men in de geloofsfundamenten van de Dordtse synode, de Drie Formulieren van Enigheid, te weten, de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561), de Heidelbergse Catechismus (1563) en de Dordtse Leerregels (1619).

Overal in het land ontstond onrust in de hervormde kerk en scheidden groepen zich af om eigen gemeenten te vormen. Vrije, zelfstandige kerken die los stonden van bemoeienis van de overheid. Koning Willem I greep in en haalde een oude wet van Napoleon van stal om de rust te bewaken. De overheid kon daardoor streng optreden met ordehandhavers en gevangenisstraffen, maar het tij was niet te keren. Hendrik de Cock, dominee in Ulrum, trok met enkele geloofsgenoten de kar die leidde tot de oprichting van de Afgescheiden Gemeenten. In 1834 tekende hij de Acte van Afscheiding of Wederkeering en met hem tekenden 137 gemeenteleden uit zijn regio. Slechts enkele maanden later werd De Cock afgezet als predikant, maar de Afscheidingsbeweging  was inmiddels in grote delen van het land gaande.

Hendrik de Cock, een jonge dominee

Wat was zijn rol, hoe kwam hij ertoe? En welke rol had zijn vrouw, Frouwe Venema, daarbij?

Hendrik heeft een opvallende draai gemaakt in zijn eerste jaren als predikant. Hij kwam uit een liberaal welgesteld milieu. Zijn vader was naast landbouwer te Veendam, ook maire, schout en later burgemeester te Wildervank. Hij kwam uit een familie van juristen, medici en predikanten. Een ruimdenkend klimaat zou je kunnen stellen, maar ook met afstand van de ‘gewone’ bevolking. 

Als jonge dominee kwam Hendrik in contact met de arbeiders, met de gewone man. 

Frouwe stond dichter bij  hun gemeenteleden en zij gaf haar lieve Cock goede raad: wees zo duidelijk mogelijk in je preken en in je pastorale werk. Zij zag en wist dat velen in de kerkelijke kudde weinig onderwijs hadden genoten, weinig kennis hadden, ‘onvatbaar’ waren voor theologische kwesties. Ook voor de catechese aan jongeren had ze goede adviezen.

Zij steunde haar man, niet alleen door raad te geven, maar ook door hem ruimte te geven. 

In de zomer van 1828 gaat Hendrik samen met studievriend Jan Begeman op reis door het land. Waarschijnlijk had hij het nodig om afstand te nemen: de denk- en belevingswereld waarin hij als preker en pastor terecht was gekomen, was hem vreemd. Het werk viel hem zwaar. De mannen snuiven alle cultuur op die maar voorhanden is: van roomse kathedralen tot schouwburg en casino. Frouwe, zes maanden zwanger, gaat met hun oudste zoontje van vier naar familie in Winschoten. Het contact met Hendrik bestaat uit een briefwisseling. 

Als Hendrik zijn werk weer op zich neemt, blijft Frouwe hem aansporen om aansluiting te zoeken bij de belevingswereld van de gemeenteleden. Het is de wereld van de ‘oudere’ theologie en het effect is merkbaar. Hendrik keert terug naar de leer van de gereformeerde theologie die de vrijheid in Christus belijdt. Naar Paulus zegt: “Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.” (Romeinen 8: 38,39 NBV)

Zoeken naar waarheid

Na deze ommekeer stond Hendrik de Cocks leven in dienst van het zoeken naar waarheid. Conflicten met collega’s, met kerkbesturen en met de overheid meed hij niet. 

Frouwe bleef naast hem staan en stuurde hem ook bij waar ze dat nodig vond. Zij weerhield hem ervan dat hij zich aansloot bij dissidente, aartsconservatieve broeders in en rond Zwolle, Kampen en Noord-Veluwe. Ze bleven in het noorden en in 1837 aanvaardde De Cock een beroep naar een afgescheiden gemeente in de stad Groningen. De classis vertrouwde hem daar tevens de opleiding voor toekomstige predikanten toe. Hij werd docent aan de zogenoemde Groningse School.

In november 1842 overleed Hendrik de Cock, 41 jaar oud. 

Frouwe ging door op de ingeslagen weg, ze bleef de ontwikkeling van de Afgescheiden kerk volgen, verheugde zich erover hoe uit iets kleins dat begon in Ulrum, iets groots kon groeien. Maar het belangrijkste voor haar was en bleef: de omgang met God en dat wat de Here aan de ziel doet. 

3.     Helenius de Cock (1824 – 1894) 

Frouwe was de spil in het huishouden van het gezin De Cock. Zij had de leiding in de opvoeding en verzorging van de kinderen. Hendrik was veel op reis, had later in Groningen een druk leven als predikant en docent. Toen hij op vrij jonge leeftijd overleed, was Frouwe eraan gewend om in alle opzichten het stuur in handen te houden. 

Zij was het die haar oudste zoon Helenius thuis catechese gaf toen hij nog maar een jongen was. Daarmee legde zij als moeder de bodem onder zijn ontwikkeling tot predikant. 

Helenius bleek een goede student. Hij volgde in Groningen de Latijnse School die ook zijn vader had doorlopen. De theologielessen kreeg hij van zijn vader die vanaf 1837 in Groningen de opleiding voor afgescheiden predikanten verzorgde. In 1844 nam Helenius zijn eerste beroep als dominee aan: in Meeden-Nieuwe Pekela. Daarna volgden Appingedam-Bierum (1845), ‘s-Hertogenbosch (1847) en tot slot Kampen in 1852. 

Helenius, predikant in Kampen  

De Afgescheiden gemeente in Kampen was heel klein, bestond voornamelijk uit eenvoudige mensen, ‘kleine luyden’. Ze maakte in de eerste decennia na de Afscheiding deel uit van een zeer conservatieve stroming, was wars van enige vernieuwing en zocht nauwelijks aansluiting bij andere Afgescheiden gemeenten. In 1851 echter splitste een deel van de gemeente zich daarvan af en zocht hereniging met wat inmiddels de Christelijke Afgescheidene Kerk was gaan heten. In januari 1852 werd Helenius in die gemeente beroepen. Het ledenaantal groeide snel, de ruimte in de bakkerij van diaken Heukels was al gauw te klein voor samenkomsten en men kocht enkele huizen in de Hofstraat, hoek Morrensteeg, die men inrichtte als kerkgebouw. 

4.     De Theologische School in Kampen

De landelijke ontwikkeling van de Afgescheiden gemeenten stond ook niet stil. In de eerste jaren na 1834 waren er onvoldoende opgeleide predikanten. Men moest het vaak doen met ‘oefenaars’ – leken die zonder al te veel opleiding voorgingen in diensten. De allereerste synode gaf de wens al te kennen dat predikanten goed opgeleid moesten worden. Onder een goede opleiding werd verstaan: Hebreeuws, Grieks, kerkgeschiedenis, kennis van godgeleerdheid, vaardigheden in pastorale zorg, predikkunde. In de eerste jaren verzorgden predikanten zoals Hendrik de Cock die opleidingen in de eigen stad en vaak deels aan huis. Dat leidde tot grote verschillen in inhoud en niveau. 

Twee decennia lang stond het onderwerp van een landelijke opleiding op de agenda van de synode, maar verschillen van mening over de onderwijsinhoud, over de vestigingsplaats en de financiën speelden besluitvorming parten. 

In 1854 hakte de synode van Zwolle de knoop door: Kampen moest de vestigingsplaats worden. Een stadje dat centraal gelegen was en met een treinverbinding. Een goedkope stad, want de burgerlijke gemeente had geen begrotingsproblemen door het bezit van landerijen. Bovendien een ‘neutrale’ stad in de richtingenstrijd binnen de afgescheiden gemeenschap. 

Helenius, docent aan de Theologische School

Op 6 december 1854 vond de plechtige opening van de Theologische School plaats. Er waren vier docenten aangesteld en Helenius de Cock was één van hen. De kerkelijke gemeente verloor hem daarmee als fulltime predikant, maar de vier docenten werd gevraagd om gezamenlijk dat werk op zich te nemen. Dat hebben ze tien jaar gedaan, tot in 1864 ds. W.H. Gispen hun taak overnam.

Helenius bleef zijn hele leven in dienst staan van de Theologische School. In 1869 werd zelfs zijn woonhuis aan de Oudestraat gebruikt voor huisvesting van de School. Drie huisjes achter zijn tuin, aan de Hofstraat werden verbouwd tot aula. Het gezin De Cock verhuisde naar de Burgwal. 

Verder werd Helenius in Kampen een voorvechter voor christelijk onderwijs. Zijn moeder Frouwe is er lang getuige van geweest, ook van het feit dat Helenius in 1889 Ridder werd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In datzelfde jaar stierf Frouwe. Helenius overleefde haar slechts enkele jaren.

5.     Bronnen

Prof. dr. A. van de Beek – Gereformeerde theologie is vrij, maar niet vrij van de kerk (Reformatorisch Dagblad – 12-9-2019)

Peter van den Burg – 1834: Afscheiding in Ulrum (www.deverhalenvangroningen.nl)

Jaap van Gelderen – Frouwe Venema (Kamper Miniaturen VII – 2001)

Beatrice de Graaf en Gert van Klinken – Geschiedenis van de Theologische Universiteit in Kampen (Uitgeverij Kok Kampen 2005)

Drs. H.G. Leih – Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Kampen (Uitgeverij Kok Kampen 1994)

G.J. Schutte – in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme