Dr R.J. Dam

1.     Levensloop

Roelof Jan Dam werd in Barneveld geboren in het gezin van Wiecher Dam (1857-1929) en Grietje Holtrop (1869-1939). Zijn vader was onderwijzer en student in Amsterdam voordat hij met zijn jonge gezin met twee dochters aan het eind van de negentiende eeuw verhuisde naar Barneveld. Daar werkte hij als kassier bij een bank. 

Wiecher Dam was 39 jaar oud toen zijn zoon Roelof Jan in Barneveld geboren werd. Hij en Roelof Jan hadden een buitengewoon goede band. Als kind ging Roelof Jan al met zijn vader mee op wandeltochten en tijdens die wandelingen heeft Wiecher zijn zoon heel wat kennis bijgebracht. Roelof Jan was nieuwsgierig van aard, wilde weten en verschijnselen kunnen verklaren. 

Hij ontwikkelde zich van een gewoon kind dat hield van ravotten en spelen met vriendjes tot een ernstige jongeman die in de gesprekken met zijn vader veel had opgestoken van het kerkelijke en politieke leven van de eerste jaren rond de eeuwwisseling. Het was de bloeitijd van de Gereformeerde Kerken met Abraham Kuyper als leider en de ARP als jonge politieke partij.

Een karaktereigenschap die Roelof Jan al jong toonde was liefde voor de waarheid. Als kind beantwoordde hij vragen met ‘geloof ik’, want anders kon je maar zo iets zeggen dat niet waar was.  

Klassieke talen

Na de lagere school volgde Roelof Jan eerst twee jaar ULO-onderwijs en daarna ging hij naar het Christelijk Gymnasium in Arnhem. Hij stond er bekend als een zéér intelligente leerling met een grote en diepgaande belangstelling, ook erg vasthoudend, om niet te zeggen star, als het aankwam op het verdedigen van opvattingen in debatten. 

In 1915 deed hij zijn eindexamen en moest hij een knoop doorhakken: theologie of klassieke letteren. Hij koos het laatste en ging studeren aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij woonde er in een hospitium – kosthuis – en nam een karakteristieke positie in tussen medestudenten. Zijn bekwaamheid en houding, zo formuleerde een oud-medestudent het, dwongen respect af. Hij was ook een vraagbaak voor menigeen, hij was scherp, maar hartelijk en ook geestig. 

Omdat hij wilde weten of hij geschikt was voor het onderwijs, verving hij na zijn kandidaatsexamen in 1919 een zieke docent aan het Gereformeerd Gymnasium in Kampen. Het beviel kennelijk van beide kanten, want hij zette zijn studie voort en behaalde in 1922 zijn doctoraal examen. In de tussentijd had Kampen hem weer nodig: van 1920 tot 1925 werkte hij er als docent klassieke talen.

Promotie

Vanwege huiselijke omstandigheden accepteerde Dam een baan als docent aan het Christelijk Lyceum in Zutphen. Daar werkte hij verder aan een proefschrift op een onderwerp dat te maken had met de oorsprong van de taal. Het werd een weg met obstakels. Met zijn promotor aan de VU, oud-studiegenoot en inmiddels hoogleraar prof. dr. H.J. Pos  ontstond een conflict. Dam wilde doorslaggevende argumenten baseren op het Oude Testament. Hij nam de Babylonische spraakverwarring als uitgangspunt en betoogde ook dat Adam en Eva in het paradijs Hebreeuws moeten hebben gesproken. Pos wees zijn onderzoekshouding en bewijsvoering af als onwetenschappelijk. Dam week niet af van zijn op principes gestoelde visie. Een compromis was niet mogelijk. 

Dam week uit naar Utrecht, koos een ander onderwerp (een probleem binnen taalontwikkeling) en promoveerde bij zijn oud-leraar van het gymnasium prof. dr. H. Wagenvoort. In 1930 studeerde hij cum laude af aan de Universiteit van Utrecht tot doctor in de klassieke talen. 

Rector Gereformeerd Gymnasium

In Kampen was men Roelof Jan Dam niet vergeten en omgekeerd was hij het Gereformeerd Gymnasium niet vergeten. Toen dan ook in 1930 het verzoek kwam om het rectoraat over te nemen van dr. J.J. Esser, hoefde Dam niet lang te aarzelen. De school met zijn gereformeerde grondslag én het niveau van het onderwijs trokken hem meer dan een gemengd christelijk lyceum, hoezeer hij het in Zutphen ook naar zijn zin had.

Roelof Jan Dam vestigde zich weer in Kampen, 1e Ebbingestraat 12. Daar trouwde hij in 1932 met Maartje Kruiswijk (1902-1972). Zij kregen twee dochters en een zoon, Jan Roelof. De laatste werd geboren in februari 1944. Het gezin bewoonde eerst een huis aan de Cellebroedersweg, nummer 11, en vanaf ongeveer 1938 aan de Broederweg, nummer 19. Een koperen struikelsteen in het trottoir houdt de herinnering aan zijn ondergronds verzet in oorlogstijd levend. Op 13 maart 1945 werd hij te Loon bij Assen gearresteerd en op 10 april door de Duitsers gefusilleerd. Op 5 oktober 1946 werd zijn lichaam herbegraven op begraafplaats De Zandberg in IJsselmuiden. (zie ook 5. Oorlogstijd 1940-1945)

2.     Het Gereformeerd Gymnasium

Het Gereformeerd Gymnasium ontstond in 1896.De kerken van de Afscheiding (1834) hadden in 1854 een eigen theologische opleiding gerealiseerd in Kampen, de Theologische School, en meenden dat de studenten  voor die studie een goede vooropleiding nodig hadden. Een eigen gereformeerd gymnasium was al jaren een wens. Zo valt in een verslag van de Algemene Synode van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk (8 juni 1866) te lezen: “De Synode zorge voor de oprigting van een Gymnasium, dat van onze Kerk uitgaat: tot vorming van toekomstige Onderwijzers; tot opleiding van Zendelingen; tot opleiding voor onze Theologische School, of ook tot andere Academische inrigtingen.”

De bekostiging van een gereformeerd gymnasium was echter een probleem, omdat het rijk daarvoor geen subsidie gaf. Pas toen in 1892 de kerken die waren voortgekomen uit de Afscheiding zich verenigden met die uit de Doleantie ontstond er een breder draagvlak. 

Amsterdam of Kampen?

Maar er moesten nog wel keuzes worden gemaakt. Er was namelijk al een Gereformeerd Gymnasium, in 1889 in Amsterdam opgericht als vooropleiding voor een studie aan de Vrije Universiteit. Was dat niet voldoende voor het hele land? Zouden beide opleidingsplaatsen kunnen blijven bestaan en was de oprichting van een gymnasium in Kampen dan een verstandige stap?

Na wikken en wegen koos men voor behoud van zowel Amsterdam als Kampen ook al zat er een kostenplaatje aan. Een voorwaarde voor een vooropleiding in Kampen was wel dat deze zelfstandig moest worden. Zelfstandig wilde zeggen: financieel onderhouden door de kerken en bestuurd door curatoren van de Theologische School. 

Zelfstandig gymnasium

Onder deze voorwaarde kwam er in 1896  in Kampen een Gereformeerd Gymnasium. Het gymnasiale onderwijs (vooral talen en geschiedenis) kwam daarmee formeel los te staan van de theologie-opleiding. Niet-theologen werden benoemd tot leraar in algemene vakken als Nederlands, klassieke talen en geschiedenis. In de loop van de jaren werd het onderwijs uitgebreid met bètavakken, want al snel werd duidelijk dat lang niet alle gymnasiasten na de opleiding kozen voor de vervolgstudie aan de Theologische School. Vanaf 1908 viel het bestuur in handen van de Nationale Vereeniging voor Gereformeerd Voorbereidend Hooger Onderwijs.

De lessen werden de eerste decennia gegeven in ruimtes van de Theologische School. Later betrok het Gereformeerd Gymnasium een deel van het Stedelijk Gymnasium aan het Engelenbergplantsoen. Wel met een eigen in- en uitgang, want er waren lange tijd principiële bezwaren tegen contacten tussen leerlingen van het gereformeerd gymnasium en die van het stedelijk. Pas in 1968 kwam er een eigen schoolgebouw, maar toen was niet alleen het onderwijs, maar ook de naam al aangepast aan de tijd: Johannes Calvijn-Lyceum en school voor HAVO.

Dam – docent klassieke talen 

Student Roelof Jan Dam verscheen in 1919 als invaller voor een zieke docent klassieke talen aan het Gereformeerd Gymnasium in Kampen. De school was toen al losgekoppeld van de Theologische School; het bestuur was in handen van de Nationale Vereeniging voor Gereformeerd Voorbereidend Hooger Onderwijs (1908). De gereformeerde signatuur werd ‘bewaakt’ door de plaatselijke kerkenraad.

Dam wilde weten of hij geschikt was als leraar. Zo niet, dan zou hij alsnog kiezen voor de studie theologie. Maar het lesgeven beviel hem én de school. 

Dam voltooide eerst zijn studie aan de VU in Amsterdam en toen er in 1922 opnieuw een vacature was in Kampen, keerde hij terug als afgestudeerd classicus. 

Zo jong als Roelof Jan Dam was, hij stak zijn mening niet onder stoelen of banken. Ook hij bewaakte het gereformeerde denken. Een voorbeeld: hij beschouwde het scheppingsverhaal als Goddelijke geschiedschrijving. In deze visie stond hij overigens niet alleen in de collega kring. 

Hij handelde naar zijn diepste overtuiging dat wij mensen medearbeiders van God dienen te zijn en geroepen om de nieuwe wereld die door Jezus Christus is ontstaan, vorm te geven. Vanuit die overtuiging kon hij geen neutrale houding innemen, noch op onderwijskundig gebied, noch op kerkelijk vlak, noch op politiek terrein. 

Aan die overtuiging ontleende hij ook zijn visie op onderwijs en inhoud. Zo diende hij in 1924 een klacht in over de lessen van zijn collega Nederlands. Deze las werk van de Tachtigers (Frederik van Eeden, Gorter) in zijn lessen voor en Dam was van mening dat dat werk alleen waarschuwend aan de orde gesteld kon worden. 

In zijn eigen lessen bleek hij een enthousiasmerend docent. De poëzie van Homerus en Vergilius, de filosofie van Plato, de levenswijsheid van Tacitus – hij bracht het met verve. Maar hij bleef nooit steken in overdracht van kennis van taal en vaardigheid in vertalen. Hij besteedde ook aandacht aan de bedoeling en de wereldbeschouwing van de auteurs en toetste die aan de leer van de Bijbel.

Dam – rector Gereformeerd Gymnasium

Enkele jaren – van 1925 tot 1930 – gaf hij les aan het christelijk lyceum in Zutphen, maar in 1930 keerde hij terug naar Kampen in de functie van rector aan ‘zijn’ Gymnasium. In tegenstelling tot zijn voorganger had hij de wind eronder. Hij boezemde  de jongeren enige angst in en dwong met zijn kennis en menselijkheid tegelijk respect af bij de oudere leerlingen. Uit verhalen over hem is bekend dat hij zijn leerlingen met hun verjaardag een kaart stuurde met een in het Latijn gestelde felicitatie. 

Hij zette als rector de ooit begonnen bezinningsbijeenkomsten voort om samen met de docenten te blijven zoeken naar de wezenlijke doelstelling van een gereformeerd gymnasium. De kern daarvan was dat alle leerstof en lectuur tegen het licht van Gods Woord gezien en getoetst moesten worden om te bereiken dat leerlingen het kwade van het goede leerden onderscheiden en gewapend werden tegen de geest en de wegen van de wereld. Dat doel had hij ook voor ogen in de jaren waarin het nationaal-socialisme opkwam en in de daarop  volgende oorlogstijd. Tot het laatst toe – tot hij in maart 1945 werd opgepakt en op 10 april werd doodgeschoten – heeft hij zich voor dit doel ingezet.

3.     Vrijmaking 1944

Roelof Jan Dam had na zijn eindexamen gymnasium in dubio gestaan: theologie of klassieke letteren? Hij koos voor het laatste, maar zijn belangstelling voor theologie bleef. Op verschillende momenten in zijn leven kwam dat tot uiting. 

Dam ontwikkelde zich tot een principieel confessioneel denker, hij hechtte grote waarde aan de aloude gereformeerde belijdenisgeschriften. Die belijdenis en de Bijbel waren de toetsstenen voor al zijn denken en handelen. 

Zijn principiële opstelling bracht hem in botsing met zijn eerste promotor, prof. dr. Pos van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Dam wilde argumenten voor de taalontwikkeling van de mens baseren op Bijbelse verhalen. Het conflict noodzaakte hem uit te wijken naar een andere promotor, dr. Wagenvoort in Utrecht, en naar een ander onderwerp.In zijn tijd als rector aan het Gereformeerd Gymnasium was hij fel tegenstander van een eenvoudiger spelling. Taal was voor hem geen samenstel van alleen maar klanken, maar een afspiegeling van het spreken van God. Daarom wenste Dam eerbied en zorgvuldigheid in spreken en schrijven. Slordig omgaan met taal zag Dam als een zonde en voor die zonde kon men behoed worden door zich te houden aan de normen van taalcultuur en taalwetgeving. Het onderscheid in grammaticale geslachten, mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, zag hij als niet willekeurig. Dam zag Gods scheppingsgedachten daarin.

Gereformeerde belijdenis als norm 

Ook als kerkganger toetste Roelof Jan Dam wat hij las en hoorde aan belijdenis, kerkorde en Bijbel. Hij nam zeker niet alles voor zoete koek aan, ook niet van een predikant die bij de kerkelijke gemeente geliefd was. Zo diende hij in 1937 een klacht in tegen een uitspraak van de plaatselijke predikant ds. J. Overduin.  Deze had gesteld:  ‘Wat Christus van ons eischt is niet een diepste rechtzinnigheid, maar opening des harten’. Dam vond dat niet de eigen innerlijke beleving de norm zijn, maar de gereformeerde belijdenis(geschriften). 

Roelof Jan Dam was doorkneed in theologische discussies, hij was gewend om zaken te analyseren en te doorgronden, om ze te toetsen aan de kernwaarden van het gereformeerde belijden. Maar zo geleerd als hij was, zo eenvoudig kon hij ingewikkelde kwesties ook vertalen voor de gemiddelde kerkganger. 

Sinds augustus 1941 was hij ouderling in de gereformeerde kerk (Burgwalkerk) en mede daardoor in de jaren die volgden nauw betrokken bij de interne discussie die uiteindelijk zou leiden tot een breuk en het ontstaan van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Twee kwesties speelden daarbij een rol. De eerste was een theologische discussie over de uitverkiezing en het verbond van God met de mens door de doop. De tweede was de vraag of de zittende synode kerkrechtelijk wel bevoegd was om voor het gehele kerkverband bindende uitspraken te doen.

Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt

De oorlogsjaren verhinderden de voorgeschreven kerkordelijke procedure, die het samenroepen van een nieuwe synode verlangde: een nieuwe synode kon door de oorlogsomstandigheden niet worden bijeengeroepen. De ‘oude’ zette daarom haar werk voort en kwam inzake het theologische geschil met een bindende uitspraak waaraan elke predikant en ambtsdrager zich moest houden. 

Een groot deel van de Kamper kerkenraad kon zich hierin niet vinden. Dr. Dam verwoordde de bezwaren met een beroep op  de kerkorde: men achtte de uitspraak strijdig met het Woord Gods en kon deze daarom in geweten niet als bindend beschouwen. Bovendien had deze synode volgens de bezwaarden onvoldoende kerkrechtelijke basis.

Alle pogingen om de zaak niet te laten escaleren waren mislukt. De partijen gingen uiteen en Roelof Jan Dam liet in januari 1945 weten dat hij meeging met de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt. Om die reden nam hij ontslag als lector aan de Theologische School van de ‘synodale’ Gereformeerde Kerken.

In april 1945 werd dr. Roelof Jan Dam gefusilleerd door de Duitsers. Hij heeft zijn besluit lid te worden van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt niet in de praktijk kunnen uitvoeren.

4.     Oorlogstijd

Dam stond pal voor de waarde van levensbeschouwelijk onderwijs. Daarmee is ook verklaarbaar dat hij al vroeg in de jaren dertig waarschuwde tegen het opkomende Duitse nationaalsocialisme. Hij zag de gevaren van een ideologie die het algemene belang boven het groepsbelang stelde en het groepsbelang boven het individuele belang. Staatsinmenging in het christelijk onderwijs was voor Dam onaanvaardbaar. Al heel vroeg zag hij in dat de Duitsers via het onderwijs de jeugd wilden indoctrineren. In geen enkele opzicht wilde hij daaraan meewerken, integendeel, hij toonde in lezingen en lessen al heel vroeg het antichristelijke karakter van het nazisme aan. Hij waarschuwde tegen de ideeën van volk en ras, van mythe en Führerverering, van collectivisme en staatsdictatuur, van ‘bloed en bodem’. Hij voorzag de gruwelijke onmenselijke gevolgen. 

Strijd tegen nationaalsocialisme

Hij sloot zich aan bij de zogenoemde ‘Lunterse kring’. Een opmerkelijke stap voor een door en door gereformeerde denker, omdat deze groep voornamelijk uit hervormde predikanten bestond. De groep werd sterk beïnvloed door Karl Barth en leefde mee met de strijd van de Belijdende Kerk in Duitsland. De groep riep op tot radicaal en principieel verzet tegen het nazisme en had in oorlogstijd voortdurend contact met de illegaliteit.

In zijn functie van rector van het Gereformeerd Gymnasium had hij voortdurend te maken met maatregelen die de Duitse bezetter oplegde. En steeds weer moest hij afwegingen maken: wel of niet meewerken. In die keuzes liet hij zich vooral leiden door de gedachte dat het onderwijs in de gereformeerde beginselen geen schade mocht lijden. Zo weigerde hij de eed af te leggen en daarmee uit te spreken dat hij alle verordeningen van de Duitse bezetters zou nakomen.  Maar hij ondertekende wel in 1940, net als alle collega’s aan het gereformeerd gymnasium, de Ariër-verklaring, daarmee aangevend dat hij niet van joodse afkomst was. Kon hij dit wél met zijn principes verenigen? Voorzag hij op dat moment de verstrekkende gevolgen niet?

Enkele jaren later maakte Dam een andere keuze, hij weigerde naar een vergadering van rectoren te gaan over de inschakeling van scholieren bij de oogst. Dam beschouwde dit als directe of indirecte hulpverlening aan de vijand. Het kwam hem op ontslag te staan: op 6 oktober 1942 kreeg de Commissie van Toezicht (CvT) een brief dat de inspecteur van het onderwijs in algemene dienst, dr. D.G. Noordijk, dr. Dam ontsloeg uit zijn functie. De CvT accepteerde dit niet, schreef een protestbrief met als belangrijkste argument dat alleen het bestuur van een school voor bijzonder onderwijs het recht heeft te benoemen en te ontslaan. Er komt uit Den Haag weinig reactie.

Na een periode van kort verlof, voor alle zekerheid, hervatte Dam zijn werk op school.

Landelijk verzet

Daarnaast raakte Dam steeds meer betrokken bij het landelijke verzet. Sinds 1941 was hij actief voor de Politieke Organisatie, de ondergrondse ARP. In Overijssel leidde hij veel illegale partijvergaderingen. Toen medio 1943 alle radio’s door de bezetter werden gevorderd, initieerde hij voor Kampen het blad Strijdend Nederland. Het werd een nieuwsbulletin dat driemaal per week uitkwam en dat in eerste instantie aan 14 invloedrijke mensen werd aangereikt op voorwaarde dat zij de berichten zouden doorgeven. Later verscheen het alsnog in een oplage van 100 exemplaren.

Al die illegale activiteiten leidden ertoe dat de Duitsers pogingen ondernamen om Dam op te pakken. Er zat  voor hem eind 1943 niets anders op dan onder te duiken. Roelof Jan Dam trok onder de naam Dr. Maas naar Amsterdam, waar hij in de massa minder zou opvallen. Hij zette zijn verzetswerk voort, veelal in de vorm van lezingen en voorlichting aan kringen en groepen. Hij kreeg daar ook contacten met de redactie van het illegale verzetsblad Trouw. In september 1944, na de mislukte poging van de geallieerden om bij Arnhem ook het noorden van Nederland te bevrijden, ontstond de vrees dat de randstad en de noordelijke provincies elkaar niet meer zouden kunnen bereiken. Via een koeriersdienst met voornamelijk vrouwen werd Trouw landelijk verspreid.

Er ontstond echter ook behoefte aan artikelen die meer op de regionale zaken inspeelden. De situatie daar ontwikkelde zich anders dan in West-Nederland. Roelof Jan Dam werd gevraagd om als een soort geestelijk verzorger of ambassadeur zorg te dragen voor artikelen die pasten bij de waarden waar Trouw voor wilde staan. Zo opereerde Dam steeds meer in de noordelijke provincies. Hij werd gerespecteerd als leider in verzetskringen, mede omdat hij het ‘veldwerk’ niet uit de weg ging en ook zelf fietstassen vol met belastende bladen meenam. Hij bleef onvermoeibaar in het geven van adviezen en voorlichting, ook als hij daarvoor op de fiets hele einden 

Gevangenneming

Eén van die tochten werd hem fataal. Op dinsdag 13 maart 1945 ging hij alleen op pad. Van een gesprek in Assen bij ds. Van Bruggen, waar hij langer bleef zitten dan normaal, naar een afspraak in Zuidlaren. Onderweg werd hij aangehouden door twee landwachters die hem arresteerden. In Assen werd hij verhoord. Ook al had hij zich voorgenomen niet ‘door te slaan’, hij had niet wat iemand schreef, ‘de straatroutine om zich door een controle heen te slaan’. Dam had, zoals zovelen, geworsteld met de vraag wat te doen als het gaat om de waarheid te spreken. Voor een situatie als deze vertrouwde hij erop dat God hem de kracht zou geven om niets los te laten.

Bij een verhoor echter greep hij de revolver van een Duitser, dreigde ermee en werd zelf in de buik geschoten. Hij kwam in het Groningse Academisch Ziekenhuis terecht, werd geopereerd en overgebracht naar het zwaar bewaakte huis van Bewaring in Groningen. Eind maart werd hij teruggebracht naar de gevangenis van Assen. Zijn vrouw was daar sinds 17 maart ook gevangen gezet. 

Op 10 april werd hij samen met tien anderen gefusilleerd en in een massagraf gelegd. Drie dagen later werd Assen door de Canadezen bevrijd.

18 april 1945 kreeg Roelof Jan Dam van de gemeente Assen een plechtige begrafenis. Op 12 mei 1946 ontving zijn vrouw Maartje in het Paleis op de Dam in Amsterdam uit handen van koningin Wilhelmina postuum het Verzetskruis voor haar man. 

Op 5 oktober 1946 is Roelof Jan Dam herbegraven op het kerkhof in IJsselmuiden. Op diezelfde dag is een gedenksteen onthuld.

De gemeente Kampen heeft één van haar straten naar hem genoemd: de Dr. Damstraat in de Hanzewijk. Voor de woning aan Broederweg 19, waar het gezin Dam vanaf eind jaren ’30 woonde, is een koperen struikelsteen gelegd. 

5.     Bronnen

Agnes Amelink – De gereformeerden (Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam 2002)

Peter Bak – Harde koppen, rechte lijnen. De lokale en regionale edities van Trouw in oorlogstijd (Amsterdam-Kampen 1993, p. 51-68)

J.J. Buskes – Hoera voor het Leven (1959) – De Lunterse kring (DNBL – digitale bibliotheek der Nederlandse letteren)

CORONA – Een paar losse herinneringen. 1940-1945 (in: Kamper Almanak 1965)

J.F. – Dr. R.J. Dam (Almanak van het studentencorps FQI, 1947 – pag. 64-67)

Beatrice de Graaf en Gert van Klinken – Geschiedenis van de Theologische Universiteit in Kampen (Uitgeverij Kok Kampen 2005)

Drs. H.G. Leih – Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Kampen (Uitgeverij Kok Kampen 1994)

Drs. H.G. Leih – Leren voor het leven. 1896-1995 van Gereformeerd Gymnasium tot Johannes Calvijnlyceum (Uitgeverij Kok Kampen 1995)

J. Klamer (samensteller) – Leven en werk van Dr. R.J. Dam (Uitgave Dr. R.J.Damschool Uithuizermeeden 1957)

J. van Sluis – in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 5 Lydia E. Winkel/Drs. H. de Vries – De ondergrondse pers 1940-1945 (’s-Gravenhage 1954/RIOD 1989)